Omschrijving van de risico’s gelinkt aan financiële instrumenten

1. Inleiding

Alvorens te beleggen in financiële instrumenten is het belangrijk zich te informeren rond hun werking en de risico’s die er – expliciet of impliciet – aan verbonden zijn. Onderstaand document heeft niet de pretentie een diepgaande financiële cursus te zijn, maar heeft als doelstelling aan onze klanten een synthetisch overzicht te bieden van de verschillende financiële instrumenten waarin zijzelf of hun beheerder zou kunnen beleggen. Dit document is zeker niet exhaustief en het is sterk aangeraden om, alvorens over te gaan tot een belegging, kennis te nemen van de wettelijke documenten (zoals de prospectus, de reglementen, de factsheets, …) of gelijk welk ander beschrijvend document dat, algemeen gesproken, meer gedetailleerd zal zijn. De beheerders van Orcadia Asset Management zullen u hierin met plezier begeleiden.

Dit document is geïnspireerd door de publicatie “Financiële Instrumenten” van Beama (Belgian Asset Managers Association), beschikbaar op de website www.beama.be

2. Typologie van de risico’s

De belangrijkste risico’s verbonden aan een belegging vallen onder de volgende categorieën.

o Risico op insolvabiliteit

Het solvabiliteitsrisico geeft de kans weer dat de emittent van de roerende waarde niet langer kan voldoen aan zijn verplichtingen, of het nu gaat over het betalen van de interesten of het volledig terugbetalen van het initiëel kapitaal op de eindvervaldag. Het is van het allergrootste belang, alvorens te beleggen, de financiële stevigheid van de emittent te verifiëren. Des te zwakker diens financiële situatie is, des te hoger de vereiste vergoeding dient te zijn. De rating, bepaald door gespecialiseerde ratingbureaus, helpt u om dit risico in te schatten. Deze ratings gaan van AAA (allerbeste kwaliteit) tot D (gestopt met betalen). De “kwaliteits”-emittenten, de zogenaamde investment grade hebben een letter gaande van AAA tot BBB-. Daaronder spreken we van non-investment grade, high yield of junk of ook nog van hoogrenderende obligaties.

o Liquiditeitsrisico

De term “liquiditeit” refereert naar de mate waarin een financieel instrument kan verhandeld worden (kopen of verkopen) in een relatief belangrijk volume zonder dat de transactie een invloed heeft op de prijs van het effect. Het liquiditeitsrisico is niets anders dan de kans dat het uitvoeren van de transactie problematisch is, en dat de uitvoering ervan een belangrijke invloed heeft op de gerealiseerde koers. Bepaalde markten (small caps, bedrijfsobligaties, …) zijn gevoeliger aan periodes van beperkte liquiditeit. De omvang van een emissie is een andere bron van illiquiditeit.

o Wisselkoersrisico

Een financieel instrument dat in een andere munt noteert dan de referentiemunt van de belegger introduceert, bovenop de andere risico’s die afhankelijk zijn van het type instrument, een wisselkoersrisico. De wisselkoers tussen de twee munten kan bewegen nadat er belegd werd. Deze evolutie kan de performance van het actief verhogen of verlagen. Indien de evolutie van de munt ongunstig is, dan zal dit het uiteindelijke resultaat van de belegging verminder en of kan het zelfs negatief maken.

o Het renterisico

Het renterisico geeft de prijs-impact van een beweging van de rentevoeten weer. Een stijging van de rentevoeten heeft een daling van de waarde van het financieel instrument als gevolg. De waarde van een actief met een vaste rente is des te gevoeliger aan de evolutie van de rentevoeten indien de resterende looptijd van de emissie langer is en als de beweging van de rentevoet meer uitgesproken is. Een stijging van de rente leidt tot een minwaarde, een daling tot een meerwaarde.

Overigens heeft een stijging van de rentevoeten een negatieve invloed op alle financiële activa die een alternatief vormen voor activa met vaste rentevoet aangezien deze laatste aantrekkelijker zijn geworden wanneer de rente is gestegen.

o Risico op koersvolatiliteit

Volatiliteit is de financiële term die de variabiliteit, of in andere woorden de prijsschommelingen, van het actief omschrijft. Het risico van een hoge volatiliteit bestaat erin dat er meer onzekerheid is rond de aan- of verkoopkoers op het moment van de operatie.

o Risico op afwezigheid van inkomsten

Het solvabiliteitsrisico omvat twee deelcomponenten: het niet terugbetalen van de hoofdsom en het niet betalen van de inkomsten. Beiden kunnen geheel of gedeeltelijk zijn. Het risico op afwezigheid van inkomsten is de kans op de tweede component. Het is mogelijk dat de betaling enkel uitgesteld wordt, hetgeen een beperkte invloed zal hebben op de uiteindelijke performance. Het is daarentegen ook mogelijk dat de betaling (geheel of gedeeltelijk) geannuleerd wordt, hetgeen natuurlijk een zwaardere impact zal hebben.

o Kapitaalsrisico

Het kapitaalsrisico is de tweede deelcomponent van het solvabiliteitsrisico. Met name dat het initiële kapitaal op “eindvervaldag” niet of slechts gedeeltelijk terugbetaald wordt.

o Risico op monetaire erosie

Met uitzondering van inflatie-gelinkte obligaties is de waarde van een actief niet expliciet gelinkt aan de evolutie van de consumptieprijzen. Dit kan ervoor zorgen dat het behaalde rendement significant lager kan zijn in reële termen, waarbij rekening wordt gehouden met de inflatie, dan in nominale termen. De koopkracht van het geïnvesteerde kapitaal kan op het moment van terugbetaling significant lager zijn dan op het moment van de belegging. Het risico op monetaire erosie wordt het meest onderschat.

3. Structuur van de financiële markten

De financiële markten worden, op basis van de looptijd van de instrumenten die erop verhandeld worden, opgesplitst in twee grote categorieën:

o De geldmarkt indien de looptijd van het instrument korter is dan 2 jaar

o De kapitaalmarkt indien de looptijd van het instrument langer is dan 2 jaar. Hieronder vallen ook die activa, zoals bij voorbeeld aandelen, die geen vooraf bepaalde vervaldag hebben.

Het vervolg van dit document verduidelijkt de geldmarkt (sectie 4) en de kapitaalmarkt (sectie 5). De financieel afgeleide producten vermelden we in een aparte sectie (sectie 6) gezien hun speciaal, en vaak ook complexer, karakter.

4. De Geldmarkt

Onder de geldmarkt verstaan we alle kredieten met een korte looptijd, gaande van 1 dag tot maximaal 2 jaar. Elk van de kredietformules komt met zijn specifieke rentevoet. Geldmarktbeleggingen bij financiële instellingen genieten van een, geplafonneerde, overheidsgarantie.

Hieronder vindt u de belangrijkste producten op de geldmarkt. Hierbij dienen we op te merken dat sommigen bestemd zijn voor private beleggers en anderen voor professionele beleggers.

• Spaarrekeningen

Een spaarrekening is een financieel product dat klanten van een bank toelaat om te sparen en hier een vergoeding voor te krijgen onder de vorm van een rente. Deze rente bestaat uit een basisrente aangevuld met een getrouwheidspremie voor de bedragen die 12 maanden vast stonden.

De beperking bij spaarrekeningen is dat het vaak niet mogelijk is om bedragen van een spaarrekening rechtstreeks over te boeken naar rekeningen van derden. Verder kan de rente wijzigen waardoor vanaf de rentewijziging een nieuw rentetarief van toepassing zal zijn op de spaargelden. Het voordeel is dat de bedragen op elk moment van de spaarrekening kunnen opgenomen worden (mits een eventuele penaliteit waarbij de getrouwheidspremie niet verschuldigd is als de gespaarde bedragen nog geen 12 maanden op de spaarrekening stonden).

• Termijnrekeningen

Een termijnrekening of termijndeposito is een financieel product dat klanten van een bank toelaat om te sparen gedurende een bepaalde duur en tegen een bepaald intresttarief.

Als de rentetarieven tijdens die periode wijzigen, blijft de intrest niettemin doorlopen voor de termijndeposito’s tot op hun vervaldag. Tussentijds kunnen de gelden echter niet opgevraagd worden.

• Schatkistcertificaten

Een schatkistcertificaat is een kortlopend schuldbewijs (maximum één jaar) uitgegeven door de Schatkist ter financiering van de overheidsschuld. De aanbesteding gebeurt tweewekelijks en heeft in principe betrekking op certificaten met een looptijd van 3, 6 of 12 maanden.

• Repo's

Repo is de Engelse afkorting voor Repurchase Agreement en wordt in het Nederlands aangeduid met de term “cessie-retrocessie”. Een cessie-retrocessie is een contract waarbij partijen zich ertoe verbinden effecten op een bepaald moment aan elkaar te verkopen en deze titels in de toekomst in de omgekeerde richting terug te verhandelen. Het verschil in prijs tussen deze twee transacties is niets meer dan de rente.

Opmerking: een cessie-retrocessie van effecten dient niet verward te worden met een effectenlening. Een effectenlening duidt er immers op dat één partij, zijnde de lener, aan een andere partij, zijnde de ontlener, effecten leent voor een bepaalde periode. Na het verstrijken van die periode moet de ontlener effecten met identieke karakteristieken teruggeven.

• Commercial Paper (zoals: depositocertificaten, thesauriebewijzen en orderbriefjes)

Een commercial paper is een financieel instrument dat een kortlopende vordering vertegenwoordigt (van 7 dagen tot 1 jaar), vaak uitgegeven door een onderneming of een andere niet-kredietinstelling (zoals een gemeente). De kortlopende vordering wordt afgesloten met een bank of een andere financiële instelling en er dient geen onderpand gegeven te worden! Het feit dat er geen onderpand vereist is, houdt wel in dat enkel zeer kredietwaardige instellingen in aanmerking genomen worden. De vordering wordt vaak aan "pari", of equivalent aan de nominale waarde, uitgegeven en "boven pari" terugbetaald.

• Floating Rate Notes (FRN).

Een Floating Rate Note is een obligatie met een variabele coupon die vaak ieder kwartaal wordt aangepast. De variabele coupon bestaat uit een geldmarkt referentie index (zoals de "EURIBOR") verhoogd met een vast percentage.

De, algemeen eerder beperkte, risico’s verbonden aan instrumenten van de geldmarkt zijn de volgende:

• Solvabiliteitsrisico

• Liquiditeitsrisico

• Renterisico (beperkt gezien de korte looptijden)

• Wisselkoersrisico (indien aanwezig kan het mogelijkerwijs belangrijk zijn gezien de snelheid waarmee wisselkoersen kunnen fluctueren)

• Risico op monetaire erosie (beperkt – door de korte looptijd is de zichtbaarheid op de toekomstige inflatie hoog)

5. De Kapitaalmarkt

Op de kapitaalmarkt worden die activa verhandeld die ofwel een looptijd hebben van minstens 2 jaar, ofwel geen eindvervaldag hebben.

De belangrijkste financiële producten op de kapitaalmarkten zijn de volgend:

5.1 Obligatie

Een obligatie is een effect in de vorm van een schuldbewijs. Door uitgifte van een obligatie kan de emittent vreemd vermogen aantrekken voor bijvoorbeeld investeringen. Een obligatie geeft recht op de terugbetaling van de hoofdsom aan het einde van de looptijd en wordt meestal aangevuld met een vaste rente. Uitgevers van obligaties kunnen ondernemingen, publieke instellingen, nationale- of lokale overheden zijn.

In de obligatiewereld komen we vaak onderstaande belangrijke concepten tegen:

o Rendement: is beperkt tot de rentevoet, die normaal gezien vast is en jaarlijks wordt uitbetaald. Toch bestaan er andere obligatietypes zoals deze met variabele coupon, zerocoupons, met een reële rente waar een complement betaald wordt dat afhangt van de inflatie over de periode. Er bestaan er ook met een verlaagde rentevoet. Deze wordt dan gecompenseerd door de participatie aan de evolutie van een referentie-index (aandelenmarkt, goud, …).

o Looptijd: wordt vastgelegd bij aanvang. Zo is het moment van de terugbetaling van het kapitaal gekend. Soms bestaan er bijzondere voorwaarden die de emittent toelaten om vervroegd terug te betalen of clausules die de bezitter toelaten om een vervroegde terugbetaling te eisen.

o Uitgifte- en terugbetalingsprijs: de uitgifteprijs is niet noodzakelijk gelijk aan de nominale waarde van de obligatie maar wordt vastgelegd op het moment van de uitgifte. Verschillen tussen beiden kunnen optreden door wijzigingen in de marktomstandigheden tussen het bekendmaken van de voorwaarden van de emissie en het moment dat het geld effectief opgehaald wordt. De terugbetalingsprijs is meestal 100%. In het geval van converteerbare obligaties en reverse convertibles kan de terugbetaling ook in de vorm van aandelen gebeuren. Bij de eerste is het de belegger die de keuze heeft, bij de tweede is het de emittent.

Er bestaan verschillende types van obligaties, elk met hun specifieke karakteristieken

o Gewoon, bevoorrecht, achtergesteld: Het gaat om klassieke obligaties maar de voorrang in geval van faillissement van de emittent is verschillend.

o Kasbon: een obligatie uitgegeven door een bank

o Staatsobligatie: een obligatie uitgegeven door een land

o Bedrijfsobligatie (“corporate bond”): een obligatie uitgegeven door een onderneming uit de private sector

o Euro-obligatie (“Eurobond”): een obligatie die internationaal wordt uitgegeven. Met andere woorden, op hetzelfde moment in verschillende landen uitgegeven door een staat, publieke instellingen, internationale organismes of bedrijven. Ze worden door tussenkomst van een internationaal bankenconsortium bij beleggers geplaatst.

o Converteerbare obligatie: Is een obligatie waarbij de belegger het recht heeft om een terugbetaling te vragen in aandelen – meestal die van de emittent – aan een vooraf bepaalde prijs per aandeel in plaats van in cash.

o Reverse convertible: is een obligatie waarbij de emittent, onder bepaalde voorwaarden, het recht heeft om de obligatie niet in cash, maar onder de vorm van aandelen of de tegenwaarde van een aandelenmandje of index, terug te betalen

o Gestructureerde obligatie (“structured note”): is een obligatie waarbij, in de meeste gevallen, het kapitaal gegarandeerd is en waarbij de hoogte van de coupon afhangt van de evolutie van de aandelenmarkt of van een ander financieel actief. Technisch gezien bestaat dit type obligatie uit de combinatie van een zerocoupon (die op eindvervaldag het gegarandeerd kapitaal terug samenstelt) en een optie (die het rendement van de obligatie zal genereren). Gestructureerde obligaties kunnen heel fel van elkaar verschillen. Vaak zijn er verschillen op vlak van het onderliggend actief, een eventuele tussentijdse coupon of het bestaan van een klik-formule.

De risico’s gelinkt aan obligaties zijn, gezien de langere looptijd, meestal belangrijker dan deze op de geldmarkt. U vindt de belangrijkste hieronder:

• Risico op insolvabiliteit

• Liquiditeitsrisico

• Renterisico (kan zéér belangrijk zijn voor lange looptijden)

• Risico op afwezigheid van inkomsten

• Kapitaalsrisico

• Volatiliteitsrisico

• Wisselkoersrisico (mogelijkerwijs belangrijk indien aanwezig)

• Risico op monetaire erosie (des te belangrijker naarmate de looptijd langer is)

5.2 Aandeel

Een aandeel is een effect in de vorm van een bewijs van deelneming in het eigen vermogen van een onderneming. Een aandeelhouder is daardoor mede-eigenaar van de onderneming voor het percentage aandelen dat hij bezit. In ruil daarvoor heeft de aandeelhouder recht op een deel van de winst, het zogeheten "dividend". Aan een aandeel is gewoonlijk stemrecht verbonden dat men tijdens de "Algemene Vergadering" van Aandeelhouders kan uitoefenen.

In tegenstelling tot obligaties hebben aandelen geen looptijd en verschaffen ze geen vaste inkomsten. De return van een aandeel is het gecombineerde resultaat van het eventueel betaalde dividend en de schommeling van de beurskoers. De waarde van een aandeel wordt door veel elementen beïnvloed. De belangrijkste zijn de resultaten van de onderneming, de rentevoeten, de inflatie, het vertrouwen op de financiële markten, de wijzigingen in de monetaire politiek, …

De typologie van de belangrijkste risico’s gelinkt aan een belegging in aandelen is gelijkaardig aan die bij obligaties. Maar aangezien aandelen geen vaste looptijd hebben, extrapoleren de beleggers de risico’s op een veel langere periode. Indien het risico zich voordoet dan zal de impact op de aandelenprijs dan ook veel belangrijker zijn dan op de obligatieprijs. Daarenboven zijn, in geval van problemen, de obligatiehouders geprivilegieerd tegenover de aandeelhouders.

We kunnen de risico’s aan een aandelenbelegging als volgt samenvatten:

• Solvabiliteitsrisico (zéér significante impact aangezien aandeelhouders achtergesteld zijn tegenover obligatiehouders bij de activaverdeling in geval van faillissement. Vaak vertaald zich dit in een totaal verlies van het kapitaal voor de aandeelhouder.)

• Liquiditeitsrisico

• Renterisico (kan zeer significant zijn)

• Risico op afwezigheid van inkomsten (is waarschijnlijk in minder rooskleurige economische periodes; kan afhangen van de karakteristieken van de onderneming - onderneming in startup fase, slechte resultaten, keuze om de winsten te reserveren - ; kan afhangen van de fiscale regels.)

• Kapitaalsrisico

• Volatiliteitsrisico (belangrijk aangezien het zeer afhankelijk is van de evolutie van het marktvertrouwen)

• Wisselkoersrisico (Hoewel aanwezig is het vaak minder belangrijk voor aandelen dan voor obligaties. Immers bij een depreciatie zullen de winsten gerealiseerd in andere regio’s in lokale munt toenemen en de competitiviteit versterken)

• Risico op monetaire erosie (Hoewel aanwezig is het vaak minder belangrijk voor aandelen dan voor obligaties. Globaal gezien zorgt inflatie ervoor dat de nominale waarde van de winsten zal stijgen.)

5.3 Instelling voor collectief Beheer (ICB)

Een ICB is een instelling die gelden beheert afkomstig van een groep beleggers en dit kapitaal collectief belegt in een geheel van financiële instrumenten. Kortom, de individuele stortingen vormen samen een collectieve beleggingsportefeuille dewelke door de ICB beheerd wordt. Dit gemeenschappelijk beheer biedt verschillende mogelijkheden die door een particuliere klant moeilijk alleen te realiseren zijn. Voor een relatief klein bedrag kan men immers beleggen in een zeer gediversifieerde portefeuille waarbij men professionele ondersteuning krijgt.

Zie ook op onze site:

Onze diensten > onze Sicav > Voordelen

De beheerder zal – met respect voor de beleggingspolitiek – de liquiditeiten van het fonds in verschillende financiële instrumenten investeren.

Afhankelijk van deze politiek zal de beheerder zich al dan niet beperken tot bepaalde activa. ICB’s kunnen als volgt gecatalogeerd worden :

o Monetair fonds

o Obligatiefonds

o Aandelenfonds

o Gemengd of patrimoniaal fonds. Deze fondsen kunnen in “alle” categorieën beleggen, met uitzondering van deze die door de prospectus uitgesloten worden. Vaak wordt dit type van fonds geklasseerd volgens risicoprofiel

o Alternatief beheer. Ook weleens « absolute return » genoemd. Deze fondsen proberen, door een belegging in de verschillende financiële instrumenten, een return te behalen die onafhankelijk is van de economische conjunctuur en de marktevolutie. Hedgefunds, met hun karakteristiek gebruik van hefbomen – met andere woorden schulden – vallen onder deze categorie.

o Dakfondsen: beperken zich tot het investeren in andere ICB’s

o Trackers of ETF (Exchange Traded Fund): vaak gelinkt aan een geïndexeerd beheer die de performance van een bepaalde beursindex repliceert. Zie ook op onze site

FAQ > wat zijn de voor- en nadelen van ETF’s

ICB’s zijn sterk gereglementeerd, en dit op verschillende vlakken :

o Voorafgaande toelating moet gegeven worden door de toezichthouder

o De instructies, gegeven door de toezichthouder, rond het verstrekken van informatie aan de beleggers (prospectus, statuten, rapporten)

o Externe controle door de toezichthouder, de deposito-houdende bank en de revisor.

o Classificatie van de risico’s (op basis van de Europese directieve UCIT IV) is gereglementeerd en is te vermelden in de KIID (Key Investor Information Document). Het cijfer gaat van 1 (laag risico en beperkt verwacht rendement) tot 7 (hoog risico en hoger verwacht rendement).

ICB’s bestaan onder verschillende juridische vormen :

o De beleggingsvennootschap Sicav (variabel kapitaal) of Sicafi (vast kapitaal). Bij beiden wordt de belegger aandeelhouder en ontvangt hij een aantal aandelen of deelbewijzen pro-rata van zijn inschrijving. De sicav kan op dagelijkse basis het aantal uitstaande deelbewijzen verhogen of verlagen aan de netto inventariswaarde (berekend op basis van de slotkoersen van de dag). Dit maakt het voor de belegger eenvoudig om in (we spreken van een inschrijving) of uit te stappen (we spreken van een terugbetaling). Door deze flexibiliteit is het de meest verspreide juridische vorm in België en het Groothertogdom Luxemburg. In tegenstelling tot de sicav is de sicafi een gesloten onderneming. Om de beleggers de nodige liquiditeit te bieden is ze op de beurs genoteerd. Er wordt echter geen enkele garantie geboden rond eventuele verschillen tussen de beurskoers en de netto inventariswaarde. Onder bepaalde omstandigheden is het dus mogelijk dat het verschil tussen beiden zeer belangrijk wordt. Deze juridische vorm is wijdverspreid in het kader van vastgoedbeleggingen. Een specifieke juridische vorm werd gecreëerd voor het beheer van niet-genoteerde bedrijven die risicokapitaal aantrekken bij private beleggers.

o Het Fonds Commun de Placement (FCP) wordt vooral in Frankrijk gebruikt. Het heeft geen rechtspersoonlijkheid en is dus een puur contractueel investeringsvehikel. Het betreft hier eenvoudigweg een onverdeeldheid met fiscale transparantie. Hierbij dient dus een passende belastingaangifte gedaan te worden.

Het risico verbonden aan ICB’s stemt meestal overeen met het gewogen gemiddelde van de financiële instrumenten die zich in de portefeuille van de ICB bevinden. Voor alternatieve fondsen of Hedge Funds kunnen de risico’s hoger zijn door de combinatie van een hefboom en een concentratie in bepaalde posities. Voor gesloten fondsen kan het liquiditeitsrisico overeenstemmen met dat van aandelen met beperkte liquiditeit. Hoewel open fondsen een zeer hoge liquiditeit lijken te vertonen, mogen we de kans dat deze liquiditeit bij zeer gedeprimeerde markten verdampt niet onderschatten. In uitzonderlijke omstandigheden kan de raad van bestuur beslissen om, voor korte of langere duur, het fonds te sluiten voor in- en uitschrijvingen.

5.4 Vastgoedcertificaten.

Een vastgoedcertificaat is een schuldvordering op een gebouw of een groep van gebouwen (meestal een kantoorgebouw of een winkelpand). De jaarlijkse coupon van het vastgoedcertificaat hangt af van het exploitatieresultaat van de uitgevende vennootschap met betrekking tot het onderliggende onroerend goed. De coupon bestaat uit twee delen: enerzijds een gedeeltelijke terugbetaling van het initieel kapitaal overeenstemmend met de jaarlijkse afschrijving van het onroerend goed en anderzijds het rente-inkomen dat gegenereerd wordt door de huuropbrengst. Het voordeel van een vastgoedcertificaat is dat de huuropbrengsten afhangen van de "consumptieprijs index" waardoor dit effect waardevast blijft indien er inflatie is. (indien de inflatie stijgt, stijgt ook de huurprijs en dus ook het rente-inkomen voor de eigenaar van het vastgoedcertificaat). Het nadeel is dat vastgoedcertificaten een beperkte liquiditeit hebben waardoor er niet altijd gemakkelijk een (ver)koper voor te vinden is.

6. De Derivatenmarkt

De derivatenmarkt is de markt waarop “financieel afgeleide producten” worden verhandeld. Dit zijn financiële overeenkomsten tussen twee partijen die afhankelijk zijn van de toekomstige prijs van een onderliggend actief. De onderliggende activa zijn meestal effecten maar het kunnen ook wisselkoersen zijn.

De risico’s verbonden aan dit type van instrumenten zijn vaak complex. Ze zijn onder andere afhankelijk van het onderliggend actief en de kwaliteit van de tegenpartij. Daarenboven is er vaak een asymmetrie tussen de koper en de verkoper van het instrument.

De belangrijkste specificiteit van afgeleide producten is het hefboomeffect dat er vaak aan verbonden is. In het merendeel van de gevallen is, op het moment van de transactie, het initieel geïnvesteerde bedrag relatief beperkt in verhouding tot de werkelijke blootstelling aan het onderliggend financieel actief.

De belangrijkste afgeleide producten zijn:

6.1 Futures et Forwards

Een “future” is de Engelse benaming voor een termijncontract. Het omvat een standaardovereenkomst tussen twee partijen waarin is vastgesteld dat een bepaald financieel producten tegen een vooraf vastgestelde prijs en tijdstip verhandeld kunnen worden. De “future” is veelal gerelateerd aan producten zoals aandelen, indices of valuta's (maar kan ook uit grondstoffen bestaan). Anders dan bij opties hebben bij termijncontracten zowel de koper als de verkoper een verplichting en is er geen premiebetaling. De verhandeling van een “future” verloopt via een erkende beurs.

Een forward is een soort termijncontract met dit belangrijk verschil dat er specifieke afspraken worden gemaakt en dat er dus geen sprake is van een standaardovereenkomst. Kortom, er wordt een private overeenkomst afgesloten die zo wordt opgesteld dat ze tegemoetkomt aan de specifieke vereisten van de gebruikers. Daarom worden forwards ook in het algemeen rechtstreeks tussen beide partijen verhandeld.

6.2 Swaps

Een swap is een financieel afgeleid product waarbij twee partijen onderling overeenkomen om bepaalde kasstromen zoals bijvoorbeeld intrestinkomsten te wisselen (vaste rentevoet tegenover variabele rentevoet of rentevoeten in verschillende munten). De swap maakt het mogelijk om de karakteristieken van het financieel actief te wijzigen zonder dat er een uitwisseling is van het onderliggend kapitaal.

6.3 Opties (bij voorbeeld: puts en calls)

Een optie is een financieel afgeleid product waarbij twee partijen onderling een contract afsluiten omtrent de aankoop of verkoop van een actief aan een vooraf overeengekomen prijs. We spreken van Amerikaanse opties indien dit binnen een bepaalde periode kan en van Europese opties indien het op het einde van de periode kan.

De koper van de optie heeft het recht om te vragen dat het actief aan de overeengekomen prijs worden verhandeld. De verkoper van de optie heeft de verplichting om het actief aan de overeengekomen prijs te verhandelen indien de koper dit vraagt. De waarde van een optie wordt afgeleid van de waarde van het onderliggend actief en verhoogd met een premie die afhankelijk is aan de resterende looptijd (hoe langer de looptijd, hoe groter de onzekerheid, hoe hoger de premie).
→ Bij een put optie heeft de koper het recht om het onderliggend actief te verkopen aan de verkoper van de optie tegen de overeengekomen prijs. De koper van de put optie zal dit recht natuurlijk enkel uitoefenen als de waarde van het onderliggend actief na verloop van tijd gedaald is.
→ Bij een call optie heeft de koper het recht om het onderliggend actief te kopen van de verkoper van de optie tegen de overeengekomen prijs. De koper van de call optie zal dit recht natuurlijk enkel uitoefenen als de waarde van het onderliggend actief na verloop van tijd gestegen is.

6.4 Warrant

Een warrant is een financieel afgeleid product dat een verhandelbaar recht vertegenwoordigt om gedurende een bepaalde periode tegen een bepaalde prijs aandelen of obligaties bij de uitgevende instelling te kopen. Het is eigenlijk een optie maar dan met een langere levensduur.

Afgeleide producten hebben specifieke risico’s. Bovenop de risico’s gelinkt aan de onderliggende financiële activa (cfr. supra), dienen we bij derivaten omzichtig te werk te gaan gezien het hefboomeffect (zeker bij speculatieve strategieën). We dienen ook rekening te houden met het meer of minder gereglementeerd karakter van de markten waarop ze verhandeld worden. Daarnaast is er het eventuele tegenpartij risico. Voor instrumenten zoals swaps, forwards en warrants is dit belangrijker dan voor “futures” en opties, aangezien deze laatste op gereglementeerde markten noteren.

Ga naar boven