Het leger mag geen stellingenoorlog voeren

In tegenstelling tot het zwakke Solidariteitspact tussen de Generaties van Guy Verhofstad – waarvan diens kabinetschef, wijlen Luc Coene, de mislukking later ruiterlijk toegaf – hebben de regeringen van Di Rupo en Michel wel belangrijke maatregelen genomen om de gemiddelde effectieve pensioenleeftijd te verhogen. Deze slaan niet alleen op het algemeen stelsel van pensioenen voor loontrekkenden en ambtenaren maar ook op de genieters van specifieke, meer aantrekkelijke, stelsels.

In deze context heeft de federale regering een graduele verhoging van de pensioenleeftijd voor de militairen aangekondigd. Sommigen hebben hiertegen geprotesteerd. Dit is begrijpelijk. Niet iedereen haalt evenveel plezier uit of een gelijk loon voor zijn arbeid. Het is interessant om zich over de argumenten te buigen die naar voor worden geschoven door de tegenstanders. We bekijken er hier twee.

Het eerste argument om zich te verzetten tegen het optrekken van de pensioenleeftijd van de soldaten is dat we nood hebben aan een jong leger: we hebben niet meer dezelfde fysieke capaciteiten op 60 dan we hadden op 25. Dit argument dienen we te verwerpen ten voordele van een andere aanpak, die van de interne en externe mobiliteit. Men kan zich makkelijk inbeelden dat naarmate men ouder wordt bepaalde capaciteiten afnemen. En hoewel we eerder onwetend zijn op het domein kunnen we ons evenzeer inbeelden dat er zo veel verschillende functies bestaan in het leger dat het mogelijk moet zijn dat militairen over de loop van hun carrière van de ene naar de andere evolueren. We dienen een dergelijke interne mobiliteit niet alleen te organiseren maar ze ook te faciliteren door een continue opleiding. Daarnaast is er de externe mobiliteit. Indien het leger maar een beperkt aantal jobs heeft voor personen van stel 55 jaar dan is de oplossing niet het prépensioen maar wel een job elders. Of het nu in de publieke of private sector is. Een belangrijk deel van de jobs met specifieke fysieke vereisten zou moeten bestaan uit contracten van bepaalde duur. Bijvoorbeeld om de 5 jaar hernieuwbaar waarbij er begeleiding voorzien is indien ze niet hernieuwd worden. Het debat verdient natuurlijk meer nuance dan in een zin vervat kan worden maar berichten omtrent zwaarlijvigheid in het leger waren in het verleden ook al de reden om contracten van bepaalde duur aan te bevelen.

Een tweede argument tegen de verhoging van de pensioenleeftijd is de budgettaire kost van de operatie: 3.1 miljard volgens generaal Compernol. Deze hoge kost valt te verklaren door 2 elementen. Ten eerste kost een militair van 60 jaar significant meer dan één van 25 jaar in dezelfde functie. Daarnaast zal het optrekken van de pensioenleeftijd het personeelsafslankingsprogramma belemmeren. En deze vermindering is nodig om budget vrij te maken om te investeren in nieuw legermateriaal wat op vandaag te weinig gebeurt. De uitspraken van Trump in verband met de NAVO zetten effectief aan om onze troepen beter uit te rusten. Dit argument overleeft een transversale analyse echter niet. Een militair die op pensioen gaat weegt weliswaar niet meer op het budget van het leger maar wel op dat van de pensioenen. Een oude soldaat door een jonge vervangen zorgt voor een daling van de militaire uitgaven maar de som van de soldij van een 25-jarige militair en het pensioen van een ex-soldaat van 60 is hoger dan de soldij van een 60-jarige militair.

Er zullen gegarandeerd stemmen zijn die stellen dat bij de vergelijking de werkloosheidsvergoeding van de 25-jarige die, indien men de pensioenleeftijd optrekt, niet ingelijfd zal worden bij het leger dient te tellen. Dit is een vals argument dat door economen geklasseerd wordt als de “lump of labour fallacy”, of de foute veronderstelling dat de arbeidsmarkt maar een vast aantal jobs omvat. Is het niet oneerlijk tegenover toekomstige potentiële rekruten te veronderstellen dat ze geen werk zullen vinden buiten de publieke sector?

Om zich te overtuigen van het belang van het optrekken van de pensioenleeftijd voor de gehele populatie, militairen inbegrepen, zijn er nog 2 andere elementen. De eerste is die van de gelijkheid. Zou het niet abnormaal zijn dat bepaalde sectoren het mogelijk maken om fors vroeger op pensioen te gaan dan onder de algemene regel? Zou dit privilege niet terecht als oneerlijk gezien worden? De tweede is de redenering in het ongerijmde. Indien later op pensioen gaan echt zou wegen op de publieke uitgaven dan hebben we de mirakeloplossing voor al onze budgettaire problemen bij de hand: we dienen enkel nog vroeger op pensioen te gaan!

Laten we dus hopen dat onze militairen zich niet ingraven voor een stellingenoorlog omtrent de pensioenen!

De markten, domoren op politiek vlak ?

Het Verenigd Koninkrijk stemt voor de Brexit en de beurzen stijgen eens de initiële verrassing gepasseerd. De Verenigde Staten stemmen voor Donald Trump en de markten stijgen. Italië verwerpt het referendum van Matteo Renzi en de Europese beurzen stijgen. Nochtans werden deze gebeurtenissen voor de stembusgang steeds als negatief gezien voor de economie, en in het bijzonder voor de internationale handel, de geopolitieke stabiliteit en de voorspelbaarheid voor ondernemers en beleggers. Hoe dienen we dan de reactie van de financiële markten op dergelijke evenementen te begrijpen? Verschillende benaderingen zijn mogelijk om dit te verklaren.

Een eerste benadering bestaat er in de interferentie tussen politiek en markten te minimaliseren. Ze relativeert de economische, en dus financiële, invloed van politieke gebeurtenissen. Het is logisch dat de media in de periode voor de volksraadpleging de focus leggen op diens eventuele gevolgen. Niettemin is er vooral continuïteit in de omstandigheden waarin de vennootschappen opereren. De situatie veranderd immers zelden radicaal. Indien er een regering aan de macht zou kunnen komen die zijn schulden niet zou honoreren, die de grenzen zou sluiten, die bedrijven zou nationaliseren of regels zou opleggen die de rentabiliteit van de ondernemingen drastisch zou verminderen dan zou dit een zeer belangrijke impact hebben op de markten. Een verschuiving naar links of rechts van het zwaartepunt daarentegen niet. Al was het maar omdat de genomen maatregelen later voor het overgrote deel kunnen teruggedraaid worden. Gelijk hoe zijn politieke verschuivingen moeilijk door de hervormingsangst van de bevolking, door de mobilisatie van de mogelijke verliezers, door belangengroepen allerhande en de fragmentatie van de macht in een economie die steeds meer globaliseert. De markten volgen de supertanker die de economie is en een specifiek politiek bewind heeft hierop geen onmiddellijke invloed.

De tweede zienswijze is dat de invloed van de politiek op de markten onvoorspelbaar is. Hierbij erkent men dat de politiek de economische en financiële omstandigheden substantieel kan wijzigen. De invloed van de politiek is echter té onzeker en té onvoorspelbaar opdat het een bepalende factor zou zijn in de beleggingsstrategie. Zo was het bijvoorbeeld de republikein Reagan die een expansieve budgettaire politiek voerde terwijl de democraat Clinton bespaarde, en meer in het bijzonder in de pensioenen waar de link met de inflatie drastisch wijzigde. Wie had dit kunnen denken voor de verkiezingen? Ondanks het feit dat we in België iets gelijkaardig konden opmerken. Regeringen met de socialisten in de coalitie waren gemiddeld gesproken strikter op budgettair vlak dan diegene zonder. Zal de City moeten delocaliseren? Zal Donald Trump een ruziezoeker zijn of zal hij voor een dooi in de relaties met Rusland zorgen? Is het verwerpen van het Italiaans referendum, dat meer macht gaf aan de sterkste door een vermindering van het belang van de Senaat, in het voor of het nadeel van de 5 Sterren beweging (M5S) van Beppe Grillo? En verhoogt het dus het risico op een referendum rond het vertrek uit de monetaire unie of net niet?

De derde benadering stelt dat de financiële markten wel degelijk beïnvloed worden door de politieke gebeurtenissen. De niet onbelangrijke koersreacties die we konden vaststellen na de Brexit, Trump en nu het Italiaanse nee suggereren dat deze visie pertinent is. Zelfs indien fundamenteel gezien beide bovenstaande zienswijzen eveneens gegrond zijn. De invloed van de politieke ontwikkelingen uit zich door middel van een collectieve decryptiesleutel die op de tast geconstrueerd wordt. In het geval van Trump lijkt de overheersende collectieve wijsheid die te zijn van de budgettaire relancepolitiek, de reglementaire versoepeling, de vermindering van de vennootschapsbelasting en dan in het bijzonder voor te repatriëren winsten, en van een “zacht” protectionisme. In het geval van Italië, waar de uitslag geen verrassing was, lijkt het erop dat de nee-stem – en dus het behoud van het integrale tweekamerstelsel - niet geïnterpreteerd wordt als een belemmering voor de toekomstige macht van M5S. De markt gaat ervan uit dat het de Europese autoriteiten zal verplichten om sympathieker en dus toegeeflijker te zijn. Of het nu op vlak van monetaire of budgettaire politiek is of op vlak van de bankenreglementering. Ze veronderstelt dat dit de korte termijn onzekerheid van de nee-stem en het ontslag van Renzi zal overtroeven.

De politieke analyse die de markten maakt is soms oppervlakkig. Denken we maar aan de stijging van de Turkse beurs toen Erdogan voor de tweede keer won, hoewel hij niet direct garant staat voor enthousiasmerende vooruitzichten. Toegegeven, beursfluctuaties kunnen op gelijk welke manier verklaard worden. Misschien was het wel de nee aan extreemrechts in Oostenrijk en niet het Italiaanse nee dat de markten stimuleerde. Tegelijkertijd kunnen de markten cynisch zijn en is het verre van uitzonderlijk dat “slecht nieuws goed nieuws is”. Dat slecht politiek nieuws aanzien wordt als de voorbode van lagere rentevoeten of een toenemende fiscale concurrentie en dus als stimulus voor de aandelenmarkten. Het is goed mogelijk dat deze logica de stijging van de aandelenmarkten na het Italiaans referendum verklaart. Indien dit het geval zou zijn dan is voorzichtigheid aangewezen.

Etienne de Callataÿ & co beheren 100 miljoen na vier maanden

Overlijdensberichten zijn duidelijk overvloedig aanwezig in de economische berichtgeving. Er is de dood van Milton Friedman, met zijn bezorgdheid over de geldhoeveelheid waar niemand zich nog iets van aantrekt. Er is de dood van Arthur Laffer wiens belastingsverminderingen er niet in slaagden om de economische activiteit aan te zwengelen. Er is de dood van Eugene Fama met een efficiënte markt die ontspoord is en sindsdien bespot wordt. Er is de dood van John Hicks met een daling van de rentevoeten die er niet in slaagt om de investeringen te stimuleren. Er is de dood van de technocraten van Maastricht met budgettaire en monetaire verplichtingen die hun beste tijd gehad hebben. Er is ook de dood van George Stigler met een deregularisatie van de economische activiteit die dereguleerde maar ook de geïndustrialiseerde maatschappij ontregeld heeft. Er is de dubbele dood van David Ricardo met het in twijfel trekken van de voordelen van de vrijmaking van de internationale handel en de vaststelling dat besparingsdrift tot recessies kunnen leiden. In deze lijst, die we makkelijk nog een stukje langer zouden kunnen maken, is er een speciale plaats voor A. William Phillips, spirituele vader van de “Phillipscurve”.

De “Phillipscurve” is in beginsel de lange termijn empirische vaststelling in de UK dat de lonen mooi stijgen bij een lage werkloosheidsgraad en dat de groei laag of zelfs negatief is wanneer de werkloosheid hoog is. Vanuit deze weinig originele observatie stelde A.W. Phillips een verruiming voor onder de vorm van een arbitrage tussen werkloosheid en inflatie. De thesis is simpel, en zelf simplistisch: door de wijziging van de consumptieprijzen enkel te bekijken als functie van de loonkost per geproduceerde eenheid en uitgaande van constante productiviteitswinsten, kunnen we stellen dat de amplitude van de loonevolutie de inflatie bepaald. Indien de werkloosheid laag is dienen de bedrijven te concurreren om werknemers aan te trekken en verhogen ze de lonen. Deze loonsverhoging zorgt op zijn beurt voor een versnellende inflatie. Omgekeerd zal de inflatie lager zijn naarmate de stijging van de lonen beperkter is. Met andere woorden bij hoge of stijgende werkloosheid.

De Phillipscurve is reeds verschillende keren gestorven. Er was de slag toegebracht door Milton Friedman. Voor hem was er geen consistente arbitrage mogelijk tussen inflatie en werkloosheid, waarbij, door de prijs de betalen van een hogere inflatie het mogelijk was de werkloosheid op een laag niveau te houden. Volgens de monetarist evolueert de werkloosheidsgraad op termijn naar het natuurlijke evenwichtsniveau waarop de inflatie geen vat heeft. Daarna was er de kogel recht in het hart van de jaren 70, toen de stagflatie – een combinatie van hoge werkloosheid en virulente inflatie – een andere manier was om te weerleggen dat een arbitrage tussen werkloosheid en inflatie mogelijk was.

En dan is er de actualiteit van 2016. In verschillende geïndustrialiseerde landen is de werkloosheidsgraad, sinds op zijn minst al enkele trimesters, relatief beperkt. We denken hier aan de VS, Japan, de UK en Duitsland waar ze zowel op historisch als absoluut niveau eerder laag staat. Toch blijft de stijging van de lonen beperkt. We zien weliswaar hier en daar een schuchtere stijging, maar niet in lijn met hetgeen we zouden verwachten op basis van de Phillipscurve. Met een lage en dalende werkloosheid zouden de werknemers, direct of indirect via de vakbonden, er in moeten slagen om een significante verhoging van hun loon te bekomen. In de VS zagen we in tegendeel dat stijging van de lonen per gewerkt uur vertraagde. Vanzelfsprekend is de werkelijke tewerkstellingsgraad lager dan hetgeen de werkloosheidsgraad van 4.9% laat uitschijnen, maar toch zou de verbetering van de arbeidsmarkt zichtbaar moeten zijn in de loonfiches.

De zwakte van de loonstijgingen is gelinkt aan de beperkte groei van de productiviteit. Dit zien we zelfs in de VS, waar de groei na de crisis minder kortademig was dan in Europa en Japan en waar de technologie lijkt te bloeien. Zo ging, volgens de gegevens die op 9 augustus verschenen, de productiviteit er met 0.4% op achteruit tussen het tweede trimester van 2015 en hetzelfde trimester in 2016. Voorlopig is er nog geen duidelijke verklaring voor deze tendens die we sinds meer dan 10 jaar opmerken in de VS. Volgende hypotheses worden onder andere naar voor geschoven: Het internet heeft minder economisch belang dan elektriciteit destijds, de disperse effecten van de verouderende bevolking, het gebrek aan investeringen door bedrijven en overheden, de afnemende vooruitgang op vlak van scholing, de toename van de ongelijkheid, het gemak waarmee mooie winsten worden behaald en de vermindering van de concurrentiedruk. Er is ook de beperkte loonstijging, hetgeen de stimulans om de productiviteit te doen toenemen verlaagt. Daarnaast is er een massaal substitutie effect: goed betaalde lonen verdwijnen en meer slecht betaalde jobs worden gecreëerd.

Om te begrijpen waarom een anti-establishment en populistisch discours zo aanslaat in landen waar de werkloosheidsgraad nochtans laag is, dienen we de ontgoocheling te begrijpen van diegenen die, ondanks gunstige omstandigheden, hun koopkracht zien stagneren. Deze situatie is gedoemd te evolueren.

Recent gingen er stemmen op tegen de verwachte verbanning van hypothecaire kredieten met vaste rentevoet en het plafonneren van de quotiteit van leningen op 80% van de waarde van het vastgoed. Verplichtingen die zouden worden opgelegd door het mysterieuze Bazelcomité. Direct worden de wildste geruchten gelanceerd rond dat comité dat al even machtig als geheim zou zijn en dat als doel zou hebben de banken te bevoordelen ten koste van het jonge gezin dat droomt een huis of appartement te verwerven.

Hoewel de financiële sector zelf ruimschoots heeft voorzien in stokken om de spreekwoordelijke hond mee te slaan dienen we niet gelijk wat als stok te gebruiken. Een strikte omkadering van het hypothecair krediet kan misschien overkomen als een belemmering voor de gezinnen, het maakt het nog geen cadeau voor de banken. Het zijn de gezinnen die hier uiteindelijk beter van zullen worden. Zonder dit soort regels is de kans op een nieuwe bankencrisis hoger, en ondanks het principe van de responsabilisering van de aandeelhouders zal het opnieuw de staat zijn die ter hulp moet schieten. Met belastingverhogingen of mindere staatsuitgaven als gevolg. Uiteindelijk zijn het de gezinnen die hiervoor zullen opdraaien.

Enkele dingen dienen toch in context gezet te worden. Eerst en vooral is het Bazelcomité geen vereniging van CEO’s van ’s werelds grootste banken, maar van financiële overheden wereldwijd. Het comité geeft ook enkel aanbevelingen. Het blijft aan de nationale of Europese overheid om ze al dan niet in te voeren. We moge ook niet vergeten welke desastreuze gevolgen een financiële crisis kan hebben. Alles, of toch bijna alles, dat een dergelijk risico vermindert is de moeite waard. Tenslotte leerde het verleden ons ook dat intrestvoeten zeer fors kunnen stijgen en dat vastgoedprijzen al even fors kunnen dalen.

Bij het afsluiten van een lening met een vaste rente op 20 of 25 jaar nemen we inherent ook een verzekering tegen stijgende rentevoeten. Deze verzekering is vanzelfsprekend niet gratis. De bankier die ze verkoopt verkrijgt inkomsten maar verhoogt ook zijn risico. Indien de rente zou stijgen dan bestaat de kans dat hij op zijn deposito’s een hogere vergoeding dient te betalen dan hij hetgeen ontvangt op zijn kredietportefeuille. Dit risico wordt gemilderd door een ander effect van leningen met een vaste rentevoet. Aangezien stijgende rentevoeten de aflossingen voor de ontlener niet verhogen, kan een stijging van het aantal wanbetalers vermeden worden. Een dergelijke stijging zou bijzonder vervelend zijn voor de banken aangezien een rentestijging vaak gepaard gaat met dalende vastgoedprijzen. Indien ze beslag zouden moeten leggen op een belangrijke hoeveelheid vastgoed en die dienen te herverkopen aan de nieuwe markprijzen, zit de kans erin dat ze er niet in slagen het kredietsaldo te recupereren en dus verlies lijden.

In veel landen, waaronder België, is er een voorkeur voor vaste rentevoeten. Vanuit een macro-economisch standpunt is dit verwonderlijk: indien de rentevoeten stijgen is het naar alle waarschijnlijkheid omdat de economie beter draait of omdat de prijzen stijgen. Twee dingen waartegen men zich, a priori, niet wenst te verzekeren, al zeker niet in een land waarin loonindexatie bestaat. Een verzekering tegen loonverlies daarentegen lijkt meer aangewezen.

Het ontmoedigen van vaste rentevoeten, door middel van hogere kapitaalsvereisten, en van het opleggen van kredietplafonds (« loan-to-value » ou LTV) - de voorstellen van het Bazelcomité - is niet de kredietnemers bestraffen om plezier te doen aan de banken. Het verplicht in tegendeel de banken om voorzichtiger te zijn. Iets dat hun aandeelhouders niet noodzakelijk appreciëren aangezien onvoorzichtigheid finaal ten laste komt van de gemeenschap. En we dienen niet triest te zijn voor de fameuze “jonge gezinnen” wiens appetijt voor schuld getemperd wordt door het risico op een renteverhoging en wiens capaciteit om te lenen verminderd wordt door een striktere LTV ratio. Hoe meer zij lenen hoe meer de vastgoedprijzen stijgen.

Hoewel er redenen zijn voor de consument om waakzaam te zijn tegenover de tarificatie praktijken van de banken, dienen de critici zich niet van antagonist te vergissen. Financiële stabiliteit dient het algemeen belang.

Januari 2018

Februari 2018

Speciale editie Februari 2018

Maart 2018

April 2018

Mei 2018

Juni 2018

Juli - Augustus 2018

September 2018

Oktober 2018

NL

NL

NL

NL

NL

NL

NL

NL

NL

NL

Ga naar boven